Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen

dinsdag 8 oktober 2013

Geloof en de theorie van Alles

Eens per kwartaal krijg ik het blad illuster toegezonden, het alumniblad van de RijksUniversiteit Utrecht. Ik kijk dat altijd met interesse in, omdat er vaak erg goede artikelen in staan,  geschreven door prominenten op elk vakgebied of ook wel interviews met excellerende wetenschappers.  De interviewer beperkt zich meestal niet alleen tot het vakgebied sec, maar wil ook wel eens graag de  geïnterviewden  verleiden over de grenzen van hun specialisme heen te gaan. Ze komen dan op glad ijs, ze weten het zelf, maar ze praten dan toch vaak met de vertrouwde beslistheid en overtuigingskracht over deze maatschappelijk relevante zaken, die echter wel buiten hun vakgebied liggen. Zo geven theologen als Huub Oosterhuis en Hans Kuehn uitspraken over sexualiteit ten beste, in het bijzonder over homosexualiteit en pedofilie, daartoe uitgenodigd door menige handige journalist.  Soms geven ze dan ook nog blijk van een ontwapenende eenkennigheid, waarbij ze de aangesneden problematiek tegemoet treden met  de hun in hun specialisme zo vertrouwde  redeneertrant en kennis van allerlei wetmatigheden  en zo de "vreemde" problematiek als het ware overrompelen en deze binnen hun vakgebied trekken, resp. door "de lichaamsvreemde problematiek" te overspoelen.  Dat klopt natuurlijk niet, maar je kunt dat best vergoeilijken, al is een weerwoord dan wel op zijn plaats, zeker als er ook politieke implicaties zouden zijn, wat soms zeer zeker het geval is. Immers het is niet zo dat de argumenten aan kracht winnen als ze uitgesproken worden door een prominent iemand.

Wetenschap op topnivo vraagt heel veel aandacht, toewijding en inzet, die doorgaans ook met passie gegeven wordt.  Dat kan er licht toe leiden dat de wetenschapper met zijn diepteboringen ook steeds meer weet van steeds minder. Zo kan zich de neiging ontwikkelen om de inzichten van het eigen vakgebied te verabsoluteren.  Ik kan daarom begrijpen  dat Gerard 't Hooft, eminent onderzoeker in de physica en nobelprijswinnaar, in het stuk in Illuster over de natuur en de natuurwetten of juist de afwezigheid daarvan, tot de volgende uitspraak komt:

"Mijn gedachte is heel simpel: in principe worden alle processen die  in ons brein  plaats vinden wel degelijk door natuurwetten bepaald, maar dat maakt ze niet voorspelbaar en ook niet beheersbaar.
Daarom zeg ik: ik beschik nog steeds over een vrije wil, ook al weet ik dat alles wat er in mijn hersenen gebeurt in wezen door natuurwetten wordt bepaald."

Gerard 't Hooft is een gedreven theoretisch fysicus en heeft begrijpelijk de neiging om in alles en overal het effect van de natuurwetten te zien.  Nou is hij ook bepaald niet de eerste de beste;  hij heeft niet voor niets de Nobelprijs voor Physica gekregen.  Die erkenning tekent hem als een eminent wetenschapper, "een outstanding scientist", iemand die door zijn onderzoek en zijn inzichten wezenlijk en op excellente wijze bijgedragen heeft aan het vergroten van onze kennis en inzicht in de wetmatigheden die aan de natuur en de werkelijkheid ten grondslag liggen. Dus doe je er goed aan om aan zijn woorden serieus aandacht te geven. Ik heb dan ook met grote belangstelling zijn artikel gelezen. Op de eerste plaats omdat de natuur, en in engere zin ook de phsysica mij boeit, alhoewel ik met name van de physica  weinig kennis heb, en er weinig of niets meer van begrijp. Maar de wetenschapper die zich door het niet weten en niet begrijpen laat ontmoedigen moet nog geboren worden. Het niet weten en niet begrijpen leidt tot verwondering, motiveert tot kijken en analyseren, en gaat aan kennis en inzicht vooraf. Voila, zie daar de grondhouding van de natuurwetenschapper. En daarmee zal ik als gepensioneerd maar nog steeds gepassioneerd  wetenschapper Gerard 't Hooft in zijn artikel bevragen, en hier en daar ook heel eigenwijs zelf met wat beschouwing te voorschijn komen. Ik zie al de glimlach op het gezicht van Gerard.

In het bijzonder de physica is me de laatste jaren ontglipt. Ik heb onvoldoende kennis van en inzicht in de recente ontwikkelingen. Waar ik na mijn afstuderen in de biologie in 1968 nog enige jaren het idee heb gekoesterd, tenminste globaal de physica en zijn antipode de astronomie te kunnen volgen, ben ik de laatste jaren totaal het spoor bijster geraakt. Ik heb me daarmee verzoend door te bedenken dat de physica voor een belangrijk deel zichzelf aan het herhalen is: nog weer een grotere en krachtigere deeltjesversneller, weer nieuwe splitsingsproducten, en dus weer kleinere deeltjes, die soms wel en nog vaker niet bestaan. Bij mij is het denken aan subatomaire deeltjes bij het concrete vormvaste atoommodel van Bohr, met  het electron, het neutron en het proton, blijven steken. Daar kon je nog aan rekenen, tegenwoordig kun je nog alleen inschatten. De bonte verzameling aan deeltjes die nog weer daarna gekomen is,  is voor mij dus een brug te ver. Nou vind ik dat eigenlijk  ook wel een beetje een zorgelijke  ontwikkeling. Als ik, die toch een  enigszins ingewijde ben, het spoor al bijster ben, hoe moet het dan hen vergaan die ver van de natuurwetenschapsbeoefening afstaan, of die überhaupt niet het voorrecht hebben gehad te kunnen studeren en in literatuur, colleges en praktika kennis te nemen van de als maar voortschrijdende wetenschappelijke inzichten. Daaronder behoren dus ook veel van de politici die over onderzoeksgelden en onderzoeksprioriteiten, en maatschappelijk belang, moeten beslissen.

Het artikel in Illuster (nr 41) handelt over verwondering als drijfveer voor wetenschappelijk handelen, en heeft de titel: "Geen verwondering zonder verklaringsdrang". Een uitspraak die ik onmiddellijk wil parafraseren met: "Zonder verwondering geen verklaring". En daar heb je het al meteen: Gerard denkt in krachten en krachtvelden. Immers een drang is een kracht. Verwondering is mijn inziens het begin, en die behoeft als menselijke respons op de waarneming niet noodzakelijk te leiden tot onderzoek, maar kan evengoed leiden tot poezie of een gedicht in een emotionele ontboezeming. Gerard is een natuurwetenschapper en zoekt naar de wetmatigheden en de oorzakelijke mechanismen die ten grondslag liggen aan de verschillende fenomenen die zich in de realiteit om ons heen aan ons voordoen, en die door beschrijvend  en experimenteel onderzoek aan ons geopenbaard kunnen worden.  Hij is een theoretisch physicus, en hij houdt zich bezig met onderzoek op het meest fundamentele nivo, ver buiten het directe menselijke waarnemingsvermogen.  Een submicroatomaire wereld die alleen ontsloten kan worden met behulp van uiterst gesophisticeerde en kostbare apparatuur, die doorgaans ook van enorme omvang is: hoe kleiner de deeltjes hoe zwaarder en kostbaarder de apparatuur om ze direct of indirect waar te nemen en te omschrijven. Denk maar aan de deeltjesversneller van CERN.
Om maar eens met een stevige inswinger te komen, wil ik poneren dat de hier boven geschetste uitspraak van G't H dus minstens een beetje misleidend is. Zeker waar hij nog eens herhaalt te geloven dat "inderdaad de natuurwetten in het algemeen eigenlijk allesbepalend zijn". Dat hangt er maar van af op welk nivo tussen submicrocosmos en supramacrocosmos je je denken richt. Levensverrichtingen in brede zin zijn in elk geval zeker niet bepaald door de physische natuurwetten, alhoewel ze ten diepste wel een materiele grondslag hebben. Die veronderstelling resp. bewering van Gerard is een simplificatie van de werkelijkheid. Natuurlijk is het zo dat in de diepste grond voor alle materie dus ook voor de levende materie de physische wetmatigheden gelden, inclusief die van oorzaak en gevolg. De werkelijkheid van het leven is immers in laatste instantie  opgebouwd uit moleculen en atomen en wat daar achter ligt. Maar daar zit geen specificiteit  noch individualiteit in, en die beide aspecten zijn  nu juist kenmerkend voor het leven.  De atomen, en subatomaire deeltjes in de hersenen van Gerard zijn met zijn welnemen exact hetzelfde als in die van mij. Daarin ligt zowel enige troost, als het eigenlijke probleem en daarop geeft Gerard met zijn deterministische visie op de werkelijkheid geen antwoord op. De specifieke eigenaardigheden van het leven, die het leven interessant maken, bijv. intelligentie, zelfbewustzijn, en tal van levensverrichtingen kennen duidelijk eigen regels en wetmatigheden: op het nivo van de biologie, de ethologie en oecologie, de psychologie.  Je zou een vergelijking kunnen maken met een huis. Een huis is opgetrokken uit beton en bakstenen met een hoop buizen en draden, en een hele rimram van schroefjes tot deurklinken en dakpannen, allemaal keurig volgens een bestek en met uitgekiende technieken geconstrueerd, en geassembleerd, in een strakke gedetermineerde (nee, niet deterministische) ordening. Maar het huis is daarmee nog geen thuis met de kenmerkende menselijke warme, en liefdevolle huiselijkheid. Te zeggen dat de bakstenen bepalen wat er aan huiselijkheid gebeurt, is onzinnig.  Maar toch vormen die wel een materieel fundament dat het gezinsleven draagt, met een grotendeels statische ordening, waarop zich het leven afspeelt, in al zijn flexibiliteit, en speelsheid. Hoe belangrijk de ordening is, blijkt als er een aardbeving plaats vindt, en de zaak in elkaar stort, zoals betreurenswaardig genoeg nu weer nu in Turkije.  Dan is het leven ontregeld en ontredderd, maar niet verslagen en zeker niet liefdeloos.  Een tweede metafoor in een poging om dit belangrijke punt duidelijker te maken: een van de belangrijke natuurkrachten is de zwaartekracht, ontdekt en geformaliseerd door Newton, wellicht de grootste natuurkundige ooit, en waarschijnlijk ontleed, doorschouwd en verrijkt door Gerard. Dank zij de zwaartekracht zijn wij aan het oppervlak verbonden met de aarde, in een physische verhouding die wel liefdeloos is, en beschreven is (nee, niet bepaald) door de wet van de zwaartkracht (zie Wikipedia http://nl.wikipedia.org/wiki/Zwaartekracht#Formule). We vallen niet van de aarde dank zij de  aantrekkingskracht van de aarde als geheel. Dezelfde zwaartekracht is, met dezelfde berekenbare wetmatigheid, bepalend voor de ordening en beweging van de planeten in banen rondom de zon, en die zijn uitgaande van de status quo verbijsterend precies voorspelbaar in tijd en plaats. Dat geldt echter niet voor ons mensen. Wij bepalen zelf waar we lopen, waar we heen gaan, wat we gaan doen. De specificiteit van ons denken, voelen en handelen heeft niets met de natuurwetten van doen. De natuurwetten hebben iets van de ezel in een tredmolen. Ik wil en kan het hier niet hebben over de wetmatigheden op het nivo van de thermodynamica en quantummechanica, en wat daar nog weer achter ligt. Daarvoor moeten we luisteren naar eminente specialisten als Gerard 't Hooft. Op dat nivo schijnen heel andere regels te gelden, en worden de eigenschappen van de materie veeleer beheerst door toeval en lijkt van enige individualiteit, specificiteit en intenti¬onaliteit helemaal geen sprake te zijn. Gerard haalt heel illustratief de kunstenaar aan die in zijn kunstzinnige uitingen een strict eigen interpretatie geeft van de werkelijkheid met een hoge mate van vrijheid ten aanzien van het werkstuk. Essentieel anders dan wat de levenloze natuur vermag. Die ligt in zijn mogelijkheden rigide vast. Alleen op grond van die rigiditeit, namelijk het vermogen uit te kristalliseren, is het Watson en Crick gelukt om door middel van Röntgendiffractie het DNA te analyseren en de opbouw in moleculaire eenheden te achterhalen. We vergeten wel eens dat het DNA in een levende cel een heel andere en dynamische organisatie moet kennen dan die kristallijne analyseerbare vorm. Op dat nivo heeft het ook geen zin meer om over het DNA op zich te praten, omdat het dan deel uitmaakt van een in hoge mate specifiek en subtiel regulerend interactiesysteem van moleculen en macromoleculen (eiwitten en RNA) structuren (membranen en organellen) en functies (bijv. enzymatische reactieketens), waarin en waarbij "recognition" een essentiele eigenschap is; heel anders, en  veel ingewikkelder dan in een reageerbuis bij een of andere DNAtest. De vraag hoe een dergelijke organisatie, die zo op het eerste aanvoelen chaotisch overkomt, kan leiden tot de hoge mate van specificiteit, adaptiviteit en intentionaliteit die kenmerkend zijn voor het leven, is een groot raadsel, dat zowel bewondering als verwondering oproept.  Niet voor niets dat  er mensen zijn, ook (pseudo)wetenschappers, die geloven dat de mens en de hele schepping het gevolg zijn van intelligent design, en uitgedacht is en geconstrueerd is door een denkende almacht. Dit is echter geen wetenschappelijke verklaring omdat hij niet benaderbaar is.  De vraag hoe het specifieke dan wel tot stand komt is machtig interessant, en wetenschappelijk zeker benaderbaar met onderzoek. Het lijkt wel zo te zijn dat "chaos", met slechts de meest fundamentele en aspecifieke  kenmerken, met interacties waarbij het toeval en onbepaaldheid de hoofdrol spelen, ten diepste aan de wortel ligt van de materie en alles wat er uit ontstaan is. Het onderwerp heeft enige analogie met het ontstaan, de ontwikkeling van  specifieke bouwplanpatronen uit een simpel bolletje met weinig organisatorische complexiteit, dat de eicel is. Onderzoek naar de oorsprong en het ontstaan van het heelal, waarbij deze condities lijken te gelden, begint me dit overdenkende, nog interessanter te worden.  Het is verheugend dat de astronoom en natuurkundige Steven Hawkins internationaal zo bewonderd wordt en zoveel belangstelling geniet juist ook van studenten uit allerlei vakgebieden. De fascinatie die van de man uitgaat is enorm en griezelig tegelijk. Hij verbindt in zijn grote denkraam het subatomaire nivo met het stellaire en galactische nivo, op zoek naar een theorie van alles, die misschien helemaal niet bestaat. Misschien is het zelfs zo dat chaos en toevalligheid en het ontbreken van enige andere wetmatigheid de diepste grondslag vormen van ons bestaan  en de kern vormen van een dergelijke theorie. Het zou kunnen dat er voor Gerard ook nog een taak is weggelegd om deze inzichten bij het publiek te brengen.

Waar het minstens duidelijk is dat op het nivo van de submicrocosmos, waar G'tH zijn inspanningen op richt, de materie onderhevig lijkt aan heel eigen physische wetmatigheden, op hogere nivo's, in de direct waarneembare materiële wereld om ons heen, zijn wel degelijk de ons vertrouwde physichchemische mechanismen en krachten werkzaam, zeg maar volgens de natuurwetten. We weten bijvoorbeeld allemaal  dat processen van groei en morphogenese  niet willekeurig zijn. Simpelweg gezegd, een kind lijkt op zijn ouders. Dus er zijn mechanismen werkzaam die patroonvorming en groei beheersen zelfs tot in de kleinste details. Het zal velen verbazen te horen, dat deze processen zeer geordend verlopen, en zelfs zo dat het uiteindelijke organisatiepatroon in sommige gevallen beschreven kan worden met eenvoudige wiskundige formules. De gulden snede is een bekend voorbeeld (zie Wikipedia). Uit mijn eigen vakgebied kan ik als voorbeeld aanhalen dat het aantal aan de buitenkant waarneembare celgrenzen van een 32-cellig slakkenembryo precies hetzelfde is als het aantal naden bij een leren voetbal en gerangschikt zijn in een vast aantal 5- en 6-hoeken. Merkwaardig nietwaar? Zou je 32 zeepbellen op elkaar kunnen plaatsen, dan kreeg je precies hetzelfde patroon. Veel meer van dit soort relaties waar physisch/chemische  mechanismen aan het werk zijn, vindt je in het boek Wiskundeboek, Clifford A. Pickover, 2010.
Het is dus  zo dat Gerard 't Hooft ten dele zeker gelijk heeft met zijn uitspraak, maar zeer zeker waar het de levende materie betreft niet in absolute zin.





maandag 7 oktober 2013

Evolutie als bijgeloof

Nu er, veel aandacht uitgaat naar Charles Darwin, moeten we ook even stil te staan bij Richard Dawkins, zijn volgeling en protagonist. Waar ik de eerste bewonder om zijn originele inzichten, wijs ik de tweede resoluut af om zijn kritiekloze adoratie van dezelfde inzichten, en de verkwanseling daarvan in zijn strijd tegen "god en gebod". Oh, Dawkins staat in de belangstelling, niet om zijn inzichten als bioloog, maar omdat hij  deze misbruikt als gangmaker in een "kruistocht" tegen gelovig leven. Hij doet daarmee het omgekeerde van wat de Roomse Kerk gedaan heeft tegen Galileo, maar hij maakt dezelfde fout, namelijk het door elkaar halen van twee verschillende realms: die van de ratio, de fysische wereld, met zijn natuurwetenschappelijke wetmatigheden én de wereld van de metafysica, met zijn gelovige, empathische inzichten. Het venijn druppelt uit zijn uitspraak: "Als Christus nu geleefd had, was hij atheïst geweest. Dat is hem kwalijk te nemen. Zijn standpunt is mutatis mutandis  even laakbaar en kwetsend als dat van de Britse bisschop Richard Williamson, die evenmin geloof kan hechten aan wat de geschiedenis aandraagt en "die de holocaust ontkent.

Waar Dawkins zijn wetenschappelijke mondje best kan roeren, getuigt hij van onthutsend en beschamend achterlijke opvattingen over God en Geloof. Zozeer zelfs dat hij de indruk wekt persoonlijke genoegdoening na te jagen. Het is ridicuul om te schermen met uitspraken als: "Water kan niet in wijn veranderen"; "over water  kun je niet lopen"; "ik heb nog nooit iemand uit de dood zien opstaan". Dat zijn immers allemaal waarheden als een koe. Het gaat in die verhalen om afbeeldingen van de werkelijkheid, die juist omdat ze niet de werkelijkheid zelf zijn, iets kunnen duidelijk maken wat niet rationeel analyseerbaar is, net zoals in de kunst. Maar we moeten wel aannemen dat hij, Dawkins, gezien zijn uitspraken een concreet beeld heeft van de god die hij zo stellig afwijst, zijn Godsbeeld. Hij houdt er dus een persoonlijk gekleurd beeld van god op na; een god met gestalte, vorm en inhoud. Professor Dawkins heeft dan dus een afbeelding gemaakt van wie en wat god is, om dan te zeggen: nee hoor, zoiets zo iemand bestaat niet. Logisch, want wat moeten we aanvangen met zo'n god van eigen maaksel, zo'n afgod. Dawkins  doet dan ook net datgene waar in alle religies voor wordt gewaarschuwd: maak geen beeld van god. Sommige religies, zoals het Jodendom, verbieden dat zelfs categorisch. Een inzicht dat teruggaat op Mozes, die net afgedaald van de berg Sinai, het beeld van god dat het volk gemaakt had, dat gouden kalf, in stukken smeet. In het Jodendom wordt het heel expliciet gezegd: God (YHWH) is de altijd andere. Hij heeft zelfs geen naam, iets wat wij mensen wel hebben. Als je al niet weet waar je het over hebt, hoe kun je dan zo zeker weten dat hetgeen je niet weet niet bestaat ?

De grote fout van Dawkins is, dat hij de realiteit en het leven op eigen maat snijdt, alsof er niets meer is dan dat wat hij ziet, hoort, voelt, ruikt, en wat hij kan meten. Dat is een gevaarlijke houding want dan heb je overal een concreet antwoord op, en dat leidt vroeg of laat tot isolement en zelfverheerlijking. Immers, gevoel, aanvoelen, meevoelen wordt dan uitgesloten. Empathisch vermogen en het toelaten van vragen waar je géén passend antwoord op hebt, en ook niet zult krijgen, is een essentieel aspect van menszijn. Dawkins echter ridiculiseert gelovige inzichten en verwijst die naar fabeltjesland. Hij heeft niet in de gaten dat geloof alleen maar verstaan kan worden als mens levend in een gemeenschap, in een volk onderweg, met een geschiedenis. In de overgeleverde verhalen van dat volk over hun verlangen, strijd, mislukking, hoop, triomf werd en wordt in de grote verhalen van de mensheid, de Mahabaratha, de Thora, de Talmoed, de bijbel, de Koran iets geopenbaard dat verder reikt dan het individuele onvolmaakte, dat de kleinmenselijke kommer en kwel èn de persoonlijke gelukservaring overstijgt en opneemt; dat reikt naar het sublieme, naar het bovenmenselijke. Sprekend in en door de verhalen, daar is God. Het inzicht van Evolutie is ook op verhalen gebaseerd, namelijk het verhaal van de fossielen. Dawkins gelooft voetstuks in dat verhaal, en gelooft meer dan hij zich realiseert, en misschien meer dan hem lief is.

Nee, mijnheer Dawkins, God is zeker niet die man met baard rustend op een wolk, zoals uitgebeeld door MichelAngelo. Van het goddelijke, is geen beeld te maken, en  je mag er zeker geen privébeeld van maken. Dat zou afgoderij zijn. Alleen zo kun je begrijpen dat "leven na de dood" kan inhouden dat "er voor de nabestaande(n) leven kan zijn na jouw dood", en dat je leven in het lichaam van de hele gemeenschap, "De Christus", door kan gaan en daarin door kan klinken en vruchtbaar kan zijn, zoals Paulus verhaalt." Voor macro-individualist en mega-realist Dawkins, is dat luchtledige praat; voor hem houdt alles op als hij sterft, en hij zal t.z.t. wel om euthanasie vragen, en hij zal snel vergeten zijn, omdat hij geen geloof, hoop en liefde kent.

Ik heb vooral bezwaar tegen het antireligieus fanatisme waarmee Dawkins  aan de ene kant de atheïstische levenshouding verdedigt en propageert, en anderzijds op agressieve wijze met een beroep op zijn wetenschappelijke inzichten  gelovig leven verkettert. Hier zou een wat meer bezonnen en vooral bescheiden beschouwing op zijn plaats zijn. Er ontbreekt nogal wat aan de evolutietheorie namelijk. Het is dan ook een theorie, dat wil zeggen geen wetmatigheid. Laten we even wel wezen, we hebben alleen een vage notie van de biochemische en biophysische mechanismen die de evolutie gedragen zouden kunnen hebben en ook nu nog zouden moeten dragen. Darwin's postulaat "survival of the fittest" is even charmant als simpel en mager, en geeft in feite, wederom in natuurwetenschappelijke zin, geen causale verklaring. Eigenlijk redeneert Darwin daarmee naar zijn doel toe. Immers hij zegt impliciet, de individuen die overblijven zullen wel het best aangepast zijn geweest, en daarom zijn ze overgebleven. Dat riekt stevig naar een kringredenering. Als je alles aanneemt, kun je alles bewijzen, hoorde ik vroeger. Op essentiële aspecten van het leven wordt helemaal niet ingegaan. Ter verduidelijking het volgende. Als je natuurlijke selectie aanneemt dan is genetische recombinatie als mechanisme voor het ontstaan van variatie binnen de soorten essentieel. De basis daarvoor is onder andere seksuele voortplanting, ten minste bij vertebaten. Nou is dat weer afhankelijk van het sexueel dimorphisme, met de prachtige fine tuning in anatomische en fysiologische maar ook karakterologische verschillen tussen de beide sexen. Waardoor  zijn deze verschillen ontstaan en hoe zijn ze geëvolueerd? Niemand die daar iets zinnigs over kan zeggen. De wetenschap lijkt zich daar ook niet druk om te maken. In de verhalen van de mens, die naar antwoorden zocht, wordt met het scheppingsverhaal  tenminste nog een poging gedaan. De evolutietheorie staat echter sowieso al als een dijk, wat moet je dan nog? Ik roep dan toch in herinnering dat wetenschappelijke vooruitgang alleen gewaarborgd is bij een kritisch wetenschappelijke houding van vragen, van je afvragen. Theorieën moeten gefalsificeerd worden en niet bevestigd.

=

donderdag 24 februari 2011

Richard Dawkins: evolutie als bijgeloof


Richard Dawkins, “a great believer”
Nu er, veel aandacht uitgaat naar Charles Darwin, moeten we even stil te staan bij Richard Dawkins, zijn volgeling en beschermheer. Waar ik de eerste bewonder om zijn inzichten, wijs ik de tweede resoluut af om zijn kritiekloze adoratie van dezelfde inzichten, en de verkwanseling daarvan in zijn strijd tegen "god en gebod". Oh, Dawkins staat in de belangstelling, niet om zijn inzichten als bioloog, maar omdat hij  deze misbruikt als gangmaker in een "kruistocht" tegen gelovig leven. Hij doet daarmee het omgekeerde van wat de Roomse Kerk gedaan heeft tegen Galileo, maar hij maakt dezelfde fout, namelijk het door elkaar halen van twee verschillende realms: die van de ratio, de fysische wereld, met zijn natuurwetenschappelijke wetmatigheden én de wereld van de metafysica, met zijn gelovige, empathische inzichten. Het venijn druppelt uit zijn uitspraak: "Als Christus nu geleefd had, was hij atheïst geweest. Dat is hem kwalijk te nemen. Zijn standpunt is mutatis mutandis  even laakbaar en kwetsend als dat van de Britse bisschop Richard Williamson, die evenmin geloof kan hechten aan wat de geschiedenis aandraagt en “die de holocaust ontkent.
Uit Wikipedia
Waar Dawkins zijn wetenschappelijke mondje best kan roeren, getuigt hij van onthutsend en beschamend achterlijke opvattingen over God en Geloof. Zozeer zelfs dat hij de indruk wekt persoonlijke genoegdoening na te jagen. Het is ridicuul om te schermen met uitspraken als: "Water kan niet in wijn veranderen"; "over water  kun je niet lopen"; "ik heb nog nooit iemand uit de dood zien opstaan". Dat zijn immers allemaal waarheden als een koe. Het gaat in die verhalen om afbeeldingen van de werkelijkheid, die juist omdat ze niet de werkelijkheid zelf zijn, iets kunnen duidelijk maken wat niet rationeel analyseerbaar is, net zoals in de kunst. Maar we moeten wel aannemen dat hij, Dawkins, gezien zijn uitspraken een concreet beeld heeft van de god die hij zo stellig afwijst, zijn Godsbeeld. Hij houdt er dus een persoonlijk gekleurd beeld van god op na; een god met gestalte, vorm en inhoud. Professor Dawkins heeft dan dus een afbeelding gemaakt van wie en wat god is, om dan te zeggen: nee hoor, zoiets zo iemand bestaat niet. Logisch, want wat moeten we aanvangen met zo’n god van eigen maaksel, zo’n afgod. Dawkins  doet dan ook net datgene waar in alle religies voor wordt gewaarschuwd: maak geen beeld van god. Sommige religies, zoals het Jodendom, verbieden dat zelfs categorisch. Een inzicht dat teruggaat op Mozes, die net afgedaald van de berg Sinai, het beeld van god dat het volk gemaakt had, dat gouden kalf, in stukken smeet. In het Jodendom wordt het heel expliciet gezegd: God (YH-WH) is de altijd andere. Hij heeft zelfs geen naam, iets wat wij mensen wel hebben. Als je al niet weet waar je het over hebt, hoe kun je dan zo zeker weten dat hetgeen je niet weet niet bestaat ?

De grote fout van Dawkins is, dat hij de realiteit en het leven op eigen maat snijdt, alsof er niets meer is dan dat wat hij ziet, hoort, voelt, ruikt, en wat hij kan meten. Dat is een gevaarlijke houding want dan heb je overal een concreet antwoord op, en dat leidt vroeg of laat tot isolement en zelfverheerlijking. Gevoel, aanvoelen, meevoelen wordt uitgesloten. Empathisch vermogen en het toelaten van vragen waar je géén passend antwoord op hebt, en ook niet zult krijgen, is een essentieel aspect van menszijn. Dawkins echter ridiculiseert gelovige inzichten en verwijst die naar fabeltjesland. Hij heeft niet in de gaten dat geloof alleen maar verstaan kan worden als mens levend in een gemeenschap, in een volk onderweg, met een geschiedenis. In de overgeleverde verhalen van dat volk over hun verlangen, strijd, mislukking, hoop, triomf werd en wordt in de grote verhalen van de mensheid, de Mahabaratha, de Thora, de Talmoed, de bijbel, de Koran iets geopenbaard dat verder reikt dan het individuele onvolmaakte, dat de klein-menselijke kommer en kwel èn de persoonlijke gelukservaring overstijgt en opneemt; dat reikt naar het sublieme, naar het bovenmenselijke. Sprekend in en door de verhalen, daar is God. Het inzicht van Evolutie is ook op verhalen gebaseerd, namelijk het verhaal van de fossielen. Dawkins gelooft voetstuks in dat verhaal, en gelooft meer dan hij zich realiseert, en meer dan hem misschien lief is.

Nee, mijnheer Dawkins, God is zeker niet die man met baard rustend op een wolk, zoals uitgebeeld door MichelAngelo. Van het goddelijke, is geen beeld te maken, en  je mag er zeker geen privé-beeld van maken. Dat zou afgoderij zijn. Alleen zo kun je begrijpen dat "leven na de dood" kan inhouden dat "er voor de nabestaande(n) leven kan zijn na jouw dood", en dat je leven in het lichaam van de hele gemeenschap, "De Christus", door kan gaan en daarin door kan klinken en vruchtbaar kan zijn." Voor macro-individualist en megarealist Dawkins, is dat luchtledige praat; voor hem houdt alles op als hij sterft, en hij zal t.z.t. wel om euthanasie vragen, en hij zal snel vergeten zijn, omdat hij geen geloof, hoop en liefde kent. 


Ik heb bezwaar tegen het antireligieus fanatisme waarmee Dawkins  aan de ene kant de atheïstische levenshouding verdedigt en propageert, en anderzijds met een beroep op zijn wetenschappelijke inzichten  gelovig leven verkettert. Hier zou best een wat meer bezonnen en vooral bescheiden beschouwing op zijn plaats zijn. Er ontbreekt nogal wat aan de evolutietheorie namelijk. Het is dan ook een theorie, dat wil zeggen geen wetmatigheid. Laten we even wel wezen, we hebben alleen een vage notie van de biochemische en biophysische mechanismen die de evolutie gedragen zouden kunnen hebben en ook nu nog zouden moeten dragen. Darwin's postulaat “survival of the fittest” is even charmant als simpel en mager, en geeft in feite, wederom in natuurwetenschappelijke zin, geen causale verklaring. Eigenlijk redeneert Darwin daarmee naar zijn doel toe. Immers, hij zegt impliciet, de individuen die overblijven zullen wel het best aangepast zijn geweest, en daarom zijn ze overgebleven. Dat riekt stevig naar een kringredenering. Als je alles aanneemt, kun je alles bewijzen, hoorde ik vroeger. Op essentiële aspecten van het leven wordt helemaal niet ingegaan. Ter verduidelijking het volgende. Als je natuurlijke selectie aanneemt als richtinggevend principe, dan is genetische recombinatie als mechanisme voor het ontstaan van variatie binnen de soorten essentieel. De basis daarvoor is seksuele voortplanting, ten minste bij vertebaten. Nou is dat weer afhankelijk van het sexueel dimorphisme, met de prachtige fine tuning in anatomische en fysiologische maar ook karakterologische verschillen tussen de beide sexen. Hoe zijn deze verschillen ontstaan en hoe zijn ze geëvolueerd? Survival of the fittest? The fittest for what? Niemand die daar iets zinnigs over kan zeggen. De wetenschap lijkt zich daar ook niet druk om te maken. In de verhalen van de mens, die naar antwoorden zocht, wordt met het scheppingsverhaal tenminste nog een poging gedaan. De evolutietheorie staat echter als een dijk, wat moet je dan nog? Ik roep dan toch in herinnering dat wetenschappelijke vooruitgang alleen gewaarborgd is bij een kritisch wetenschappelijke houding van vragen, van je afvragen. Theorieën moeten gefalsificeerd worden en niet bevestigd (Carl Popper).

Geloven tegenover zeker weten? Dawkins verkettert geloof, en bestrijdt het alsof het een kwaad is. Maar ik heb de indruk dat waar hij zeker meent te weten hij in feite gelóóft zeker te weten, terwijl dat niet zo is. Hij gelóóft in de juistheid van de evolutietheorie; hij gelooft meer dan hij wil toegeven. O nee? Hij zegt met grote nadruk en stelligheid dat hij niet gelooft in god. Hij gelooft dus in feite niet in de verhalen die mensen en medemensen tot een gelovige levenshouding hebben gebracht. Maar hij gelooft wel in het verhaal van de evolutie. Waarom eigenlijk? Baseert hij zich op eigen waarnemingen? Of gelooft hij in het verhaal van Darwin? Ik krijg de indruk dat ook deze wetenschapper met zijn grote theorieën een “great believer” in zichzelf is. De evolutionist gelooft in de juistheid van de evolutietheorie, analoog (of moet ik zeggen homoloog) aan de gelovige die gelooft dat er een God die is bestaat. Dat zou tot wederzijds begrip kunnen leiden in plaats van wederzijdse verkettering. Zijn afwijzen van religie brengt ons terug naar de tijd van Galileo, toen het omgekeerde het geval was. In die tijd domineerde de theologie de hele samenleving, en de opkomende natuurwetenschap werd op de pijnbank gelegd van de inquisiteur. Hij doet het omgekeerde en bestempelt de gelovige levenshouding tot gezever. De twee benaderingen van mens en wereld behoren elkaar echter aan te vullen. Theologie en zijn gelovigen aan de ene kant, met de troost die religie direct en indirect biedt voor de vele behoeftigen in deze wereld, en de Natuurwetenschap met zijn beoefenaren aan de nadere kant met de progressie in het begrip van de natuurlijke grondslagen van de wereld. De twee benaderingswijzen vormen twee verschillende sferen die elkaar ontmoeten langs de omtrek van de horizon. Gelukkig beseffen we nu dat de aarde rond is, dat de horizon dus altijd op afstand blijft en onbenaderbaar is. We zullen nooit zeker weten wat er achter ligt; er blijft veel te geloven. Dawkins slaat met zijn wetenschappelijke sledge-hammer de aarde weer plat,  en berooft de mens van de zin van zijn geschiedenis. Er is nog een bioloog, Frans de Waal, iemand die het plat optilt, en de wereld in zijn multidimensionaliteit opent. Hij zegt op grond van zijn befaamde onderzoek met apen: "Dit is een tijd voor empathie. Niet hoewel, maar juist omdàt we zoogdieren zijn". Ik kan zijn inzicht dat "de cerebraliteit van de mens enorm wordt overschat", en het waarom daarvan, van harte bij Richard Dawkins, en bij ons, aanbevelen (art. Knack,nr 52, 2009).





dinsdag 22 februari 2011

orde en chaos: paradox van de twee-eenheid



zondag 23 april 2006 11:44


…in zijn uitleg van de 'goede manier' behandelt Krishna de eeuwige vragen ten aanzien van mens, wereld en 'de juiste religie'. Het boek is dan ook te zien als gids voor de mens die op zoek is naar inzicht. In die hoedanigheid is het niet zo zeer een verhandeling over goed en kwaad, maar meer een reeks adviezen om innerlijke conflicten op te lossen. Er is op zich niets 'werkelijks' voor de mens om tegen te vechten, alleen het eigen onbegrip...

tegenstrijdigheden
Zo zoetjesaan ben ik gaan begrijpen dat een mens in het leven onvermijdelijk geconfronteerd wordt met tegenstrijdigheden. Hij wil samen leven, maar wil eigenlijk ook graag alleen zijn; hij wil zich binden maar wil ook zijn vrijheid behouden; hij is mannelijk maar houdt van het vrouwelijke (en vice versa), hij wil lief hebben, maar kan soms venijnig in verwarring gebracht worden door gevoelens van afwijzing, hij ervaart de kracht van zijn lichamelijkheid en verlangt naar het spirituele, hij wil in orde komen en ziet overal chaos. Een mens komt daarmee steeds maar weer in paradoxale situaties terecht, waarin hij wordt geplaagd door die altijd maar terugkerende vraag van wat wil ik nu: is het ja of nee, ben ik pro of contra, is het lichaam of geest, is het erop of eronder. Het lijkt alsof hij steeds maar weer een keuze moet maken, terwijl lang niet altijd duidelijk of een van de mogelijkheden die zich aandienen strikt genomen ook werkelijk haalbaar is, laat staan dat die ook werkelijk voor hem het beste zou zijn. Wat moet je dan? Kies je, dan kun je het voor je kiezen krijgen. Tussen de keuzes door laveren? De kans bestaat dat je op de klippen loopt. Maar wat dan? Gaan zwemmen? Maar zien?


paradoxale neigingen
Iedereen die in het leven wat om zich heen gekeken heeft, in en buiten de bibliotheek, en zelf heeft geleefd, zal er wel zo’n beetje achter gekomen zijn dat paradoxale neigingen het mens-zijn aankleven. Nee, dat is echt niet voorbehouden aan die “overbedeelde” groep van mensen met het sterrenbeeld Tweeling, zoals ikzelf. Iedereen is ermee behept. Een mens zal met zijn tegenstrijdigheden in het reine moeten komen, wil hij niet of nonchalant worden of aan zelfkwelling ten onder gaan. Het is niet voor niets dat alle grote levensbeschouwingen het over het probleem van de paradox hebben. Of dit aspect van het leven nou gepresenteerd wordt als yin en yang (Tantra), goed en kwaad (Christendom), ´alles heeft zijn tijd” (Jodendom: Prediker), het eigen onbegrip (Hindouisme, zie intro), het komt allemaal op hetzelfde neer. De rationele mens heeft een ongebreidelde zucht naar het maken van onderscheid; hij splitst, legt uit elkaar, maakt en benoemt verschillen, kiest een tegenover, en hunkert vervolgens naar eenheid bij het zien van de verscheidenheid die hij eigenlijk zelf creëert. Hij komt er zo misschien achter dat zijn tegenover in feite zijn spiegelbeeld is, en dat raak je niet kwijt.

twee-eenheid

Ik begin hoe langer hoe meer te geloven dat die tegenstrijdige neigingen en gevoelens een twee-eenheid vormen, en dat je daar niet tussen hoeft te kiezen. Je doet er niet zonder meer goed aan om je zwart-wit op te stellen, voor een van beide mogelijkheden te kiezen en de andere categorisch af te wijzen. Ze horen misschien wel bij elkaar, en maken ze beide deel uit van je leven; soms een beetje meer van dit, soms een beetje meer van dat. Voila, zo simpel lijkt het te zijn. We zijn als mens nu eenmaal geen statisch gegeven en niet onveranderlijk. En het kwaad dan? Moet je dat dan niet afwijzen? Ahh, ja, maar wat is dat, het kwaad? Bestaat dat eigenlijk wel als objectief gegeven? Bestaat het kwaad wellicht niet juist en alleen daarin dat we “iets of iemand categorisch afwijzen, negeren, ontkennen, dood verklaren, of zelfs doden.” Is het kwaad niet datgene dat leidt tot afkeren, isoleren, tot isolement, en dat is tegen het leven, van de ander en van jezelf. Hier raken we aan de wezenstrek van de fundamentalistische levenshouding, precies wat je bijvoorbeeld tegenkomt in politiek extreem rechts, in het nazisme, het zionisme, en in menig godsdienstig geïnspireerde levensovertuiging. Uiteraard staan we zelf aan de goede kant van de lijn. De vraag aan onszelf is dan hoe we vanuit deze positie om moeten gaan met mensen die zich zo'n extreme fundamentalistische houding hebben aangemeten, zonder zelf in het kwade te vervallen.
grondslagen van onze natuur
De dualiteit, het onzekere van “is het nou dit of is het nou dat; moet het zus of moet het zo” ligt misschien wel ten diepste verankerd in de grondslagen van de natuur en van de wereld. Vroeger leerden we in de natuurkundeles dat de wereld beheerst wordt door universeel geldende en onveranderlijke wetten. Tegenwoordig weten we uit de kwantummechanica (oei) dat er in het hele kleine, op het subatomaire nivo, geen absolute zekerheid bestaat. Alle grenzen en ook de horizon van onze waarneming zelf blijken op dat nivo te vervagen. Als waarnemer weet je niet precies meer waar je staat, en een objectieve kijk op de werkelijkheid blijkt een fictie te zijn. Verdwenen is daarmee het zo verleidelijke beeld van een strak voorspelbare, geordende, en geregelde werkelijkheid. Grappig genoeg tot grote tegenzin van Einstein, die zich lang schrap heeft gezet tegen deze revolutionaire inzichten waar hij zelf mede de grondslagen voor heeft aangedragen. We weten nu dat zekerheid en regelmaat alleen nog maar opgaan voor het grote, op de schaal van onze wereld, van de hemellichamen, de sterren en planeten. Hun banen door het heelal zijn wonderlijk genoeg nog steeds tot op de seconde te berekenen en te voorspellen. Anders was er ook geen ruimtevaart mogelijk geweest. Het is voor velen nog steeds verbijsterend dat de mens het voor elkaar heeft gekregen om een raket de ruimte in te sturen, die te laten landen op een of ander ver verwijderd hemellichaam als bijvoorbeeld de maan of zelfs een komeet, daar wat stof te laten verzamelen door een robot en die dan naar de aarde te laten terugkeren.

ongrijpbare inzichten

Maar op het nivo van het ultrakleine ligt niets meer eenduidig vast, de werkelijkheid is alleen nog benaderbaar in schattingen en waarschijnlijkheden. De zekerheid van de “appel valt recht naar beneden”, heeft op dat nivo bij wijze van spreken plaats moeten maken voor “de appel zal meestal wel niet ver van de boom vallen”. Dat inzicht lijkt vreemd veraf, maar dit vreemde is tegelijk ook huiverend nabij. Op het nivo van de kleinste deeltjes waaruit alle materie blijkt te zijn opgebouwd, blijken de wetmatigheden van het ons vertrouwde wereldbeeld dus niet meer op te gaan. De vraag is zelfs of die deeltjes als concrete elementen in strikte zin eigenlijk wel bestaan. Ze schijnen zo maar te kunnen ontstaan uit energie en ook weer te kunnen verdwijnen als energie, blijkbaar ook in een voortdurend heen en weer gaan. Dat is best een schokkend inzicht, want zijn we immers niet gewend om de werkelijkheid te zien in concrete vaste vormen, zoals tafel, stoel, medemens. Of op z’n minst verwachten we iets als een vaste begrenzing, zoals de oevers van een rivier. We houden ons toch ook maar al te graag vast aan de regels waaraan de betrekkingen tussen de dingen blijken te beantwoorden. Wat kan een mens dan ook aanvangen met de etherisch aandoende, vluchtige, ongrijpbare inzichten van de moderne natuurkunde? Nou wellicht wel dit, dat het ons misschien leert onze angst voor de onzekerheid van onze eigen beperktheid en eindigheid te overwinnen. Maar daartoe moeten we de inzichten van de wetenschap weten te vertalen in de taal van het leven van alle dag.

scheppingsdans van Shiva

De natuurkunde is bezig de diepste geheimen aan de natuur aan het ontfutselen. Materie transformeert tot microgolven van energie, en verdwijnt daarmee in het niets, en omgekeerd. De ene realiteit transformeert in een andere realiteit en de werkelijkheid begint te lijken op een beweeglijk spel van iets, via niets tot iets. Een soort rondedans met eindeloze variaties in energieke materiele danspassen, met beweging, figuren en ritme en als het ware chaos als platform en ordening als omtrek. Is ons leven als aards bestaan dan toch een fata morgana, een caleidoscopische manifestatie van een spel dat zich in eindeloze creativiteit vanuit de subatomaire diepte aan het oppervlak van onze realiteit openvouwt? De scheppingsdans van de god Shiva, zowel schepper als [L] vernietiger, waar het Hindoeisme van spreekt. Dit alles klinkt zo langzamerhand eerder als amateur-poëzie dan als amateur-wetenschap, zo suggestief en schilderend is het wel. Het gaat over het ultrakleine, bijna over niets, maar dat bijna niets doortrekt wel onze werkelijkheid. En daar raken we precies het probleem waar de natuurkundige van nu mee geconfronteerd wordt. Om uit te drukken wat hij veronderstelt, moet hij zijn toevlucht nemen tot gewone mensentaal. En dan heeft hij moeite om zijn inzichten onder woorden te brengen. De werkelijkheid van de microcosmos lijkt wel even ongrijpbaar als die van een mensenleven, en alleen in een “werkelijk” gedicht beschreven te kunnen worden. Fritjoff Capra heeft over de poëzie van de moderne natuurkunde een stevige bestseller geschreven.


realiteit en leegte
Vroeger leek alles, ook het leven eenvoudig opgebouwd te zijn uit het stof van moeder aarde. Als je dood ging, dan keerde je in haar terug. Tegenwoordig lijkt de aarde eerder een soort draagmoeder te zijn. Met haar zweven we in de schoot van een chaos die zich uitstrekt van en tussen microcosmos en macrocosmos, van het ultrakleine subatomaire tot het supragrote van de kosmos. Een chaos die overigens meer is dan een gebrek aan ordening, want chaos lijkt slechts een fase te zijn in een continu scheppingsproces. Geen begin, geen eind, maar een fase. Wat wij in het hier en nu geneigd zijn als chaos te zien, is in een ander perspectief de scheppende dynamiek van een proces van wording en teruggang, dat is beheerst door het toeval. Als het ware een voortdurend “op goed geluk” tastend zoeken naar verandering, in een dans op het grensvlak van realiteit en leegte, waarbij de grens er soms wel en soms niet is. Verbijsterend is het te beseffen dat deze onzekere diepste grond toch het fundament vormt waarop de schepping, inclusief de mens met al zijn in een mensenleven opgebouwde zekerheden, is gebaseerd. .Is het dan zo dat orde en chaos in hun paradox de polen zijn van een as waar de hele schepping om draait? De polen van een “kosmisch weefgetouw”?

het weefgetouw: een metafoor
Ik persoonlijk heb me met mijn eigen paradoxale neigingen een beetje kunnen verzoenen via de metafoor van een weefgetouw. De uitersten, de tegenstelling, wordt gevormd door de twee polen van het getouw. De spoel schiet heen en weer, maar verliest daarbij de draad niet uit het oog. Voor de spoel maakt die beweging ook niet uit, maar als mens krijg je daar knap het heen en weer van. Ah ja, het zal duidelijk zijn, die beweging van de spoel op het weefgetouw is onmisbaar wil er een weefsel ontstaan. En wat moeten we zonder weefsels beginnen? De mens bouwt er zijn culturele status mee op. Door zich te omkleden met lappen stof, al dan niet mooi geverfd onderscheid hij zich van de dieren. Met zijn kleding vormt hij een contrast of weet hij zich juist te camoufleren. En, gelukkig maakt hij er niet alleen camouflagepakken van maar ook tafelkleden om met zijn gasten stijlvol aan tafel te kunnen aan. Uiteraard kan dat niet het enige zijn. Gelukkig wordt er doorgaans aan tafel bij wat geestrijk vocht ook nog wel wat gezelligs gezegd.

generatio spontanea
Hardnekkig keert een oeroude vraag terug. De vraag naar begin en zin van ordening in de wereld en naar de betekenis van chaos, de wanorde. Chaos ontstaat spontaan uit orde, maar hoe zit het met het omgekeerde? Is er een “Generatio spontanea” mogelijk, een spontaan ontstaan van orde uit chaos, zoals verondersteld door de Griekse wijsgeer Aristoteles. Intuïtief beseffen we dat zoiets niet kan, maar toch, waar komt de materie dan vandaan en waar komen die leuke pantoffeldiertjes dan vandaan in het water in de bloemenvaas? En op menselijke schaal: hoe komen we ineens aan al die pantoffelhelden? We weten allemaal hoeveel moeite het kost om orde te scheppen, maar ook hoe gemakkelijk orde verstoord kan raken. Beelden flitsen, beelden van mensen, samenlevingen, culturen die hardnekkig aan hun overgeleverde voordelige ordening vasthouden en deze verdedigen tegen omvorming door de buren of door hun eigen revolutionairen. Of van anderen, die de vermeende chaos bij de buren te lijf willen gaan en er hun eigen orde er op willen planten te beginnen met een vers gestreken vlag. De orde van de superioriteit: de gevestigde orde van het Amerika van Bush en van “het Vlaams Belang”met de profijtelijke olierijke zegeningen voor de dominante upper class.

orde en chaos en orde: ons grote verhaal
Het probleem van orde en chaos doortrekt alle lagen van de werkelijkheid, onze samenleving incluis. Blijven we als mensen noodlottig gevangen in het plat van een vicieuze cirkel, waaraan we op ons best, als ware het onze levensopdracht, trachten te ontsnappen. We richten constructies op, we schieten raketten af, en we bedenken geweldige systemen als om aan te geven “hier ben ik, Heer en Meester”. De komma vergeten we dan doorgaans, en dat is wel een subtiel maar toch ook wezenlijk onderscheid dat misschien niet eens meer door iedereen gevoeld wordt. Maar wat we ook doen, we kunnen niet voorbij onze eigen horizon komen, en we weten het. Eerder dan Tyrus zullen tenslotte onze constructies vervallen en in elkaar zakken, als ze niet voortijdig door onszelf of door onze buurman in elkaar geslagen zijn. Want ook dat leert onze geschiedenis. Een vaak wat waanzinnig aandoend scenario van stammenoorlogen, alsof de Mahabaratha (Het Grote Verhaal uit het oude India overgeleverd, en nog steeds zo actueel) nog geschreven wordt. Een verhaal waaraan we wel móeten meedoen, als schrijver, als acteur of toeschouwer, slachtoffer of overwinnaar, waarbij het achteruit zitten in een televisiestoel ook maar een vorm is. Alexander de Grote is nog maar net voorbijgetrokken en de herinneringen aan de massaslachtingen in Rwanda staan nog als nabeeld op ons netvlies. De tweede wereldoorlog heeft zich alweer herhaald in Joegoslavië, in het klein gelukkig, maar aan de bescheidenheid van Milosevic heeft dat niet gelegen. En in het middenoosten lijkt soms de geschiedenis op zijn kop te zijn gaan staan. Maar toch het is boeiend de geschiedenis te volgen; alhoewel je steeds alles wat was terug op je bord krijgt, orde én chaos. Het vermeende goede èn het vermeende kwade. We zullen er mee verder moeten, heen en weer geslingerd, in de hoop dat er ondanks alles iets goeds uit komt.