Posts tonen met het label determinisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label determinisme. Alle posts tonen

maandag 7 oktober 2013

Dick Swaab, een granulair denker

Dick Swaab: granulair denker?

Eind 1988 ontdekte hij dat het homosexuele brein er iets anders uitziet dan het heterosexuele brein. De Nederlandse neurowetenschapper Dick Swaab over de impact van de baarmoeder…

Nu de discussie over homosexualiteit in de samenleving weer is opgelaaid, vooral door de controversiële standpunten binnen de Kerk van Rome, werkt het Knack-interview van Joël de Cuelaer met Dick Swaab voor het Belgische tijdschrift De Knack als een aanjager. Dick Swaab, een bekend neurobioloog, claimt dat hij in zijn onderzoek  bijzonderheden heeft gevonden in de morfologie van de hersenen van homosexuelen, die volgens hem de stelling steunen dat de voorkeur van deze mensen voor hun sexuele zijnswijze veroorzaakt wordt door de specifieke structuur, en de daaraan gekoppelde functies, van een bepaald omschreven hersengebiedje. Iets dergelijks zou mutatis mutandis volgens Swaab ook gelden voor pedofilie en transsexualiteit. Hij extrapoleert deze stelling vervolgens naar de opvatting: “Wij zijn ons brein”, zoals hij inhoudelijk uit de doeken doet in zijn gelijknamige boek, met de suggestie dat voor elk aberrant gedrag er een plekje in de hersenen is aan te wijzen dat afwijkend is van structuur (en functie?). Nou zal ons brein als complex coördinatie- en integratiecentrum en zetel van ons geheugen en bewustzijn wel overal bij betrokken zijn, maar juist dat interrelationele, krijgt in deze opvatting van Swaab te weinig nadruk. Swaab wil in zijn redeneringen en conclusies de mens en de functies in zijn mens-zijn kennelijk vastpinnen op concrete plekjes  in de hersenen die zich morfologisch onderscheiden van overeenkomstig plekjes in de hersenen van “normale” (modale) individuen. Hij koestert de twijfelachtige veronderstelling dat als je maar een kenmerkend stukje morfologie kunt aanwijzen, je ook de meteen de oorzaak te pakken hebt van het fenomeen dat onderzocht wordt.  Ik meen dat hij zich daarmee schuldig maakt aan reductionistisch, granulair denken: er is een fenomeen (een menselijke gedragswijze); ik zie een afwijkende knobbeltje in de hersenen; conclusie: dat knobbeltje moet de oorzaak zijn. Ik vind dat een dergelijke gedachtengang, hoe verleidelijk ook, sterk misleidend is, omdat daarmee ten onrechte de indruk wordt gewekt, dat de ultieme verklaring wordt gegeven en het laatste woord daarmee is gezegd. Dit komt me voor als een extreme versimpeling van de feiten, en een dito overschatting van het belang van de eigen bevindingen. Wie we zijn wordt mijns inziens niet bepaald door een plekje in de hersenen noch door de hersenen als geheel, maar is het resultaat van een proces van wording en ontwikkeling door groei en samengaande interacties van structuren en functies op alle verscheiden nivo’s, van moleculair tot organismaal en psychosociaal, waarbij het brein van het individu als centrum van geheugen en bewustzijn uiteindelijk inderdaad een bijzondere plaats inneemt.

In de weergave van interviewer Joel de Cuelaer is voor Swaab de conclusie echter duidelijk, (in mijn eigen woorden): de verschillende sexuele zijnswijzen stoelen op een biologisch gefundeerd complex van oorzaak en gevolg, en zijn niet te herleiden naar psychologische aberraties (zoals Het Vaticaan recentelijk nog wel beweerde), noch naar bewuste keuzes van het individu. Uitgaande van de in het interview weergegeven interpretatie van de onderzoeksgegevens meent Swaab dat iemand die na zijn/haar adolescentie homosexueel blijkt te zijn, of pedofiel of transsexueel, daartoe al in de baarmoeder is geprogrammeerd en gedetermineerd. Dit is opnieuw wel een heel gewaagde stelling die onmogelijk meer kan zijn dan een veronderstelling. Immers onmiddellijk rijst de vraag: “Hoe weet hij dat?” en “Waaruit concludeert hij dat?” Ik heb persoonlijk nog nooit een foetus ontmoet die sexueel actief is. Misschien heeft Swaab foetale hersenen onderzocht en het door hem  bedoelde structuurtje gezien, maar dan weet hij uiteraard niet wat later het gender zal gaan worden. Ik denk daarom dat de in het artikel gepresenteerde waarnemingen zijn  conclusies niet dragen en dat Swaab met zijn hypothesen de toets der kritiek niet kan doorstaan. Hij gaat als wetenschapper veel te ver door zijn veronderstellingen te presenteren als feiten. Gezien de maatschappelijke impact van zijn onderzoek en de conclusies die er uit getrokken worden, is een kritische evaluatie dan ook zeer op zijn plaats. Ik herinner aan de recente uitspraken van Aartsbisschop Léonard (België), en Nederland kent zijn conservatieve counterparts, die het omgekeerde beweert, namelijk dat homosexualiteit een psychologisch bepaalde aberratie is, die door bidden en  therapie genezen zou kunnen en moeten worden. Léonard heeft met zijn mening, die overduidelijk slechts geschraagd wordt door een bijbels geïnspireerd vooroordeel en wellicht persoonlijke problematiek, veel stof doen opwaaien. Een zuivere meningsvorming, in een menselijke benadering van  deze problematiek, vereist een zuivere discussie. Dat was mijn motivatie voor deze bijdrage.

Wil je een causale relatie aantonen tussen hersenstructuren en specifiek gedrag of neiging, zijn in principe de experimenteel morfologische benaderingswijzen aangewezen. Experimenteel zou de relatie tussen een structuur en (een complex van) functie(s) aangetoond kunnen worden door een operatieve ingreep: wegnemen of reduceren, transplanteren, of implanteren van het betreffende centrum/orgaan. Een dergelijke operatieve aanpak zou uitsluitsel kunnen geven. Dat is uiteraard bij onderzoek aan de mens totaal uitgesloten. Swaab heeft zich daarom waarschijnlijk noodgedwongen moeten beperken tot beschrijvend onderzoek. Alleen daarom al staan zijn conclusies op losse schroeven.  Hij heeft ongetwijfeld een reeks post mortem gevallen histologisch onderzocht en in een (hopelijk) significant aantal gevallen een consistente aberrante en specifieke morfologie geconstateerd. Het artikel van De Cuelaer geeft over de aantallen geen wetenschappelijke inkijk. Onduidelijk is bijvoorbeeld of dit altijd zo is, of slechts in een percentage van de gevallen. Ook is onduidelijk welke variatieparameters zijn gehanteerd. Ik vind dat de discussie over zo’n belangrijk onderwerp dat zoveel mensen aangaat, zuiver en helder gevoerd moet worden, en dan is de weergave in zo’n artikel van JdC nogal magertjes.

Ook beschrijvend morfologisch onderzoek aan de mens heeft zo zijn beperkingen, omdat het uiteraard post mortem moet gebeuren. Nou kan sensu strictu morfologie op zich ook nooit een oorzaak zijn. De vorm zou wel een uiting kunnen zijn van een of ander fysiologisch proces, waarvan wellicht de verhoogde activiteit zich vertaalt in de omvang. Let wel, ook zo redenerend kom je niet veel verder. Ik neem echter aan dat Swaab ook in vivo met moderne technieken als NMR-scanning en MRI-mapping van hersenactiviteit onderzoek gedaan heeft. Die technieken bieden unieke mogelijkheden om in de levende hersenen te kijken en de hersenactiviteit te bestuderen in laboratoriumsituaties. Dergelijk onderzoek kan de fysiologie in kaart brengen,  maar valt  in feite ook onder beschrijvend onderzoek en kan evenmin in causale zin uitsluitsel geven. Swaab vertelt niets over zijn proefpersonen, maar dat moeten wel puberale of postpuberale individuen zijn, bij welke de sexuele geaardheid zich reeds geopenbaard heeft. Een koppeling tussen morfologie en de sexuele geaardheid is immers alleen te leggen, als die aard inderdaad al tot expressie is gekomen. De onderzoeker loopt met zijn theorievorming dus eigenlijk achter de feiten aan. Hij constateert een gedrag, trekt conclusies over de geaardheid, ziet later in het post mortem onderzoek een wat betreft de grootte aberrante structuur in de hersenen en veronderstelt een oorzakelijk verband. Dat is niet logisch en strikt genomen ook niet wetenschappelijk, omdat niet uit te sluiten is dat de structuur zelf een gevolg is, een begeleidend verschijnsel,  dus veroorzaakt wordt,  en niet zelf  oorzaak is. De eigenlijke oorzaak van het fenomeen homosexualiteit blijft daarmee in het ongewisse. Gelukkig maar zou ik zeggen.

We zijn er nog niet. Er kunnen in een ontwikkelend systeem inderdaad afgeleide effecten zijn die dus niet zelf primair oorzaak zijn, maar gevolg. Voorbeelden van dergelijke epigenetische effecten zijn er te over ook op het terrein van de neurologie. Overbekend zijn de geslachtsverschillen tussen man en vrouw, bijv. tot uiting komend in de spraakcentra, die bij de man eenzijdig zijn geprofileerd en bij de vrouw tweezijdig. Zijn de verschillen in de spraakcentra oorzaak of gevolg? Natuurlijk een gevolg, zal onmiddellijk ieder weldenkend mens zeggen, ook al weet geen mens hoe de reactie- en interactieketens die aan de ontwikkeling van die centra ten grondslag liggen “precies” verlopen. Niemand zal durven veronderstellen dat het grotere tweezijdig ontwikkelde spraakcentrum bij de vrouw de oorzaak is van haar ontwikkeling als vrouw. Dat zou aan de uitdrukking “babbelkontje” een volstrekt nieuwe inhoud geven. En toch is dat precies wat Swaab in feite wel doet in het kader van de onderhavige problematiek. In elk geval is het wel zo dat de individuele eigenaardigheden van man en vrouw, wel degelijk minstens van invloed kunnen zijn  op de psychosociale ontwikkeling van de kinderen. We voelen dat aan als zijnde een waarheid als een koe, maar dat te bewijzen langs natuurwetenschappelijke weg is gezien de complexiteit aan de ene kant en de individualiteit aan de andere kant vrijwel uitgesloten.

Het is volstrekt niet uitgesloten dat de afwijkende morfologie  die Swaab gevonden heeft een afgeleide is of een begeleidend verschijnsel is van door hem niet nader gepreciseerde reactie- en interactieketens. Waar precies de determinerende stappen gezet worden in iemands persoonlijke ontwikkeling blijft mijns inziens dus nog steeds onduidelijk. Ikzelf zie het vooralsnog als een samenspel tussen genetisch (op het nivo van DNA) en epigenetisch (op het nivo van milieu en omstandigheden)  bepaalde, sturende  invloeden in een zich ontwikkelend systeem, met een complex samenspel op verschillende nivo’s, van cellulair, organismaal tot psychosociaal. Waar precies de ontwikkeling van indifferent naar specifiek, met de beslissende aftakkingen in de richting van een bepaald libido, vorm krijgt  is, laten we eerlijk zijn in feite nog immer compleet onbekend. Nee hoor, ik accepteer de conclusie van een oorzakelijk verband, zoals door Swaab geschetst, dus niet. De hele gedachtegang riekt me te zeer naar  een rigide reductionistisch, granulair denken, waarbij veel te weinig recht wordt gedaan aan de vloeiende complexiteit van lichaam en geest en hun onderlinge betrekkingen, en misschien ook wel te weinig recht wordt gedaan aan de mens. Het doet me denken aan het fabeltje van de zogenaamde “wiskundeknobbel” waarmee sommigen, ook ik,  volgens anderen behept zouden zijn. Vroeger werd er inderdaad wel eens gezegd,: “Ah, maar die heeft nou eenmaal een wiskundeknobbel”. De suggestie is duidelijk in twee richtingen:
·        die is gek op wiskunde en is er zoveel mee bezig dat “zijn wiskunde centrum” bovenmaats is uitgegroeid. Dit stelt de mogelijkheid van een sex-knobbeltje, als gezien door Swaab enigszins in een tendentieus daglicht. Maar dat in hersencentra dezelfde relatie bestaat tussen omvang  van hersencentra en functionaliteit als bijvoorbeeld bij de musculatuur het geval is, is bij mijn weten niet uitgesloten, maar ook niet aangetoond.
·        die heeft nu eenmaal een bovenmaatse knobbel die hem met aandrang aanzet tot het bedrijven van wiskunde. Logisch dat die meteen als hij thuis is, met zijn huiswerk wiskunde begint (en zijn talen laat liggen). “Ik ben gelukkig niet zo”, wordt er dan bij gesuggereerd.
Beide insteken zijn puur hypothetisch.

Het is eigen aan de mens te proberen  op allerlei manieren greep te krijgen op zijn hersenen en op zijn cerebraal functioneren. Hij wil zijn brein begrijpen, maar nog liever zou hij er op in willen grijpen. Hij zou willen corrigeren waar het functioneren niet aan de norm voldoet (wat die norm, ook is).  Maar precies daar past de mens toch wel grote bescheidenheid en terughoudendheid. Hij is met zijn pogingen om in medische sfeer corrigerend in te grijpen in de menselijke zijnswijze nou niet bepaald succesvol geweest, eerder een charlatan, een dr Jekyll. Althans ik kan voor ingrepen in de hersenen, als bijvoorbeeld lobotomie, het wegnemen resp. vernietigen van (delen van) de voorhersenen, ooit gezien als een gezegende probleemoplossende operatieve ingreep, geen begrip opbrengen. Sterker ik vind de operatoren bij dergelijk handelen onverantwoord en misschien zelfs misdadig bezig. Hetzelfde geldt voor de stuntelige pogingen om epilepsie en depressie en andere echte of veronderstelde psychische aandoeningen  te behandelen met allerlei op den duur desastreuze ingrepen als elektroshocks en dubieuze psychofarmaca waarvan de effecten op langere termijn niet bekend zijn. Het ergste moet gevreesd worden, want de ontwikkelingen in dit opzicht lijken niet te stuiten.

Wat is nou het belang van dit alles? Maakt het wat uit of de menselijke aard gedetermineerd is in de baarmoeder, ja ook de “modale” aard. Ik denk van wel. Ik zou niet graag leven in een samenleving waarin het determinisme hoogtij viert. Sterker nog, ik vind dat de neiging tot granulair denken, en overal een enkelvoudige oorzaak voor te willen aanwijzen, bestreden moet worden. Zo’n opvatting als die van Swaab over ogenschijnlijk zoiets persoonlijks als de sexuele geaardheid van de medemens, kan een tendens in gang zetten die op termijn betreurenswaardig uitpakt. Het is de vraag of dit soort onderzoek eigenlijk wel toelaatbaar is, een discussie die enkele jaren geleden terecht heeft gespeeld rondom onderzoeksplannen van criminoloog Buikhuisen, die wilde kijken naar mogelijke biologische, genetische, bepaaldheid van crimineel gedrag. Nu gaat het over de morfologie van de hersenen, straks gaat het over de aanwezigheid van bepaalde genen, dan niet een zekere predispositie voor alweer een of andere aard, aanleg, of eigenschap met ongetwijfeld ook alweer de neiging tot politiek verabsoluteren. Ik geloof dat we vanuit de samenleving de ontwikkelingen in deze zin nauwgezet moeten volgen, en moeten onderwerpen aan een zorgvuldige, kritische evaluatie.

Nee, dr Swaab je bent er gelukkig nog lang niet, wat je trouwens zelf ook inziet, blijkens je subtitel: “We zullen nog lang moeten wachten op de wonderpillen” (om hoedanigheden af te remmen resp. te stimuleren). Liever had ik gehad dat je  het wonder op een meer gelovige wijze geïnterpreteerd had en het gebruik van pillen zou hebben geschetst als inherent inadequaat, en slechts effectief als uiterste noodoplossing, in een soort botte bijl approach, waarbij, laten we dat vooral niet vergeten, voor de patiënt/cliënt de remedie erger dreigt te worden dan de kwaal. Kijk nog maar eens naar de verbijsterende film: “One flew over a cookoos nest”, en je weet precies wat ik bedoel. En kleine tip, blijf ook de bijzondere mens die buiten de norm van de meerderheid valt ook maar gewoon primair zien als mens.







Literatuur:
Dick Swaab: “We zullen nog lang mogen wachten op de wonderpillen”
Knack interview door Joël de Cuelaer
Febr 2011

Summery
According to Dick Swaab, a neurobiologist, the homosexual and heterosexual brain differ in some morfological respects. Swaab has put forward that the peculiar morfological detail  which he has found, causes the embarkment of the person onto a homosexual developmental pathway. It is argued that Swaab in his eagerness for straight forward causality displays outspoken granular thinking and reasoning, and sadly takes insufficiantly into account the interrelationships between structures and functions on all levels of the biological and psychosociological human developing system. The establishment of the human gender probably cannot be pinned down to one singular determinative event in the whomb.



Biografie:
Na zijn studie in de biology, is schrijver dezes tot aan zijn pensionering als docent/onderzoeker verbonden geweest aan de Rijksuniversiteit in Utrecht en heeft hij ontwikkelingsbiologisch onderzoek gedaan. Na zijn pensionering heeft hij zich geweid aan de schone kunsten en heeft een opleiding gevolgd in de beeldende vormgeving aan de Kunstacademie in Genk. In een viertal stages heeft hij zich daarna verder bekwaamd in het beeldhouwen. Daarnaast mag hij zich graag mengen in het publieke debat over politieke en maatschappelijke kwesties en heeft hij een reeks artikelen geproduceerd.

Trefwoorden:
Homosexualiteit, gender, brein, kern, “oorzaak en gevolg”, causaliteit, determinatie, granulair denken, biologie, biologisch



woensdag 26 oktober 2011

chaos of logos?

Eens per kwartaal krijg ik het blad illuster toegezonden, het alumni-blad van de RijksUniversiteit Utrecht. Ik kijk dat altijd met interesse in, omdat er vaak erg goede artikelen in staan,  geschreven door prominenten op elk vakgebied of ook wel interviews met excellerende wetenschappers.  De interviewer beperkt zich meestal niet alleen tot het vakgebied sec, maar wil ook wel eens graag de  geïnterviewden  verleiden over de grenzen van hun specialisme heen te gaan. Ze komen dan op glad ijs, ze weten het zelf, maar ze praten dan toch vaak met de vertrouwde beslistheid en overtuigingskracht over deze maatschappelijk relevante zaken, die echter wel buiten hun vakgebied liggen. Zo geven theologen als Huub Oosterhuis en Hans Kuehn uitspraken over sexualiteit ten beste, in het bijzonder over homosexualiteit en pedofilie, daartoe uitgenodigd door menige handige journalist.  Soms geven ze dan ook nog blijk van een verrukkelijke eenkennigheid, waarbij ze de aangesneden problematiek tegemoet treden met  de hun in hun specialisme zo vertrouwde  redeneertrant en kennis van allerlei wetmatigheden  en zo de "vreemde" problematiek als het ware adopteren en deze binnen hun vakgebied trekken. Dat klopt natuurlijk niet, maar je kunt dat best vergoeilijken, al is een weerwoord dan vaak wel op zijn plaats, zeker als er ook politieke implicaties zouden zijn, wat soms zeer zeker het geval is. 


Wetenschap op topnivo vraagt heel veel aandacht, toewijding en inzet, die ook met passie gegeven wordt.  Dat kan er licht toe leiden dat de wetenschapper met zijn diepteboringen ook steeds meer weet van steeds minder. Zo kan zich de neiging ontwikkelen om de inzichten van het eigen vakgebied te verabsoluteren.  Ik kan daarom begrijpen  dat Gerard 't Hooft, eminent onderzoeker in de physica en nobelprijswinnaar, in het stuk in Illuster over de natuur en de natuurwetten of juist de afwezigheid daarvan, tot de volgende uitspraak komt:




"Mijn gedachte is heel simpel: in principe worden alle processen die  in ons brein  plaats vinden wel degelijk door natuurwetten bepaald, maar dat maakt ze niet voorspelbaar en ook niet beheersbaar.

Daarom zeg ik: ik beschik nog steeds over een vrije wil, ook al weet ik dat alles wat er in mijn hersenen gebeurt in wezen door natuurwetten wordt bepaald." 



Gerard 't Hooft is een gedreven theoretisch fysicus en heeft begrijpelijk de neiging om in alles en overal het effect van de natuurwetten te zien.  Nou is hij ook bepaald niet de eerste de beste;  hij heeft niet voor niets de Nobelprijs voor Physica gekregen.  Die erkenning tekent hem als een eminent wetenschapper, "een outstanding scientist", iemand die door zijn onderzoek en zijn inzichten wezenlijk en op excellente wijze bijgedragen heeft aan het vergroten van onze kennis en inzicht in de wetmatigheden die aan de natuur en de werkelijkheid ten grondslag liggen. Dus doe je er goed aan om aan zijn woorden serieus aandacht te geven. Ik heb dan ook met grote belangstelling zijn artikel gelezen. Op de eerste plaats omdat de natuur, en in engere zin ook de phsysica mij boeit, alhoewel ik met name van de physica  weinig kennis heb, en er weinig of niets meer van begrijp. Maar de wetenschapper die zich door het niet weten en niet begrijpen laat ontmoedigen moet nog geboren worden. Het niet weten en niet begrijpen leidt tot verwondering, motiveert tot kijken en analyseren, en gaat aan kennis en inzicht vooraf. Voila, zie daar de grondhouding van de natuurwetenschapper. En daarmee zal ik als gepensioneerd maar nog steeds gepassioneerd  wetenschapper Gerard 't Hooft in zijn artikel bevragen, en hier en daar ook heel eigenwijs zelf met wat beschouwing te voorschijn komen. Ik zie al de glimlach op het gezicht van Gerard.


In het bijzonder de physica is me de laatste jaren ontglipt. Ik heb onvoldoende kennis van en inzicht in de recente ontwikkelingen. Waar ik na mijn afstuderen in de biologie in 1968 nog enige jaren het idee heb gekoesterd, tenminste globaal de physica en zijn antipode de astronomie te kunnen volgen, ben ik de laatste jaren totaal het spoor bijster geraakt. Ik heb me daarmee verzoend door te bedenken dat de physica voor een belangrijk deel zichzelf aan het herhalen is: nog weer een grotere en krachtigere deeltjesversneller, weer nieuwe splitsingsproducten, en dus weer kleinere deeltjes, die soms wel en nog vaker niet bestaan. Bij mij is het denken aan subatomaire deeltjes bij het concrete vormvaste atoommodel van Bohr, met  het electron, het neutron en het proton, blijven steken. Daar kon je nog aan rekenen, tegenwoordig kun je nog alleen inschatten. De bonte verzameling aan deeltjes die nog weer daarna gekomen is,  is voor mij dus een brug te ver. Nou vind ik dat eigenlijk  ook wel een beetje een zorgelijke  ontwikkeling. Als ik, die toch een  enigszins ingewijde ben, het spoor al bijster ben, hoe moet het dan hen vergaan die ver van de natuurwetenschapsbeoefening afstaan, of die überhaupt niet het voorrecht hebben gehad te kunnen studeren en in literatuur, colleges en praktika kennis te nemen van de als maar voortschrijdende wetenschappelijke inzichten. Daaronder behoren dus ook veel van de politici die over onderzoeksgelden en onderzoeksprioriteiten, en maatschappelijk belang, moeten beslissen.

Het artikel in Illuster (nr 41) handelt over verwondering als drijfveer voor wetenschappelijk handelen, en heeft de titel: "Geen verwondering zonder verklaringsdrang". Een uitspraak die ik zou onmiddellijk wil parafraseren met: “Zonder verwondering geen verklaring”. En daar heb je het al meteen: Gerard denkt in krachten en krachtvelden. Immers een drang is een kracht. Verwondering is mijn inziens het begin, en die behoeft als menselijke respons op de waarneming niet noodzakelijk te leiden tot onderzoek, maar kan evengoed leiden tot poezie of een gedicht in een emotionele ontboezeming. Gerard is een natuurwetenschapper en zoekt naar de wetmatigheden en de oorzakelijke mechanismen die ten grondslag liggen aan de verschillende fenomenen die zich in de realiteit om ons heen aan ons voordoen, en die door beschrijvend  en experimenteel onderzoek aan ons geopenbaard kunnen worden.  Hij is een theoretisch physicus, en hij houdt zich bezig met onderzoek op het meest fundamentele nivo, ver buiten het directe menselijke waarnemingsvermogen.  Een submicro-atomaire wereld die alleen ontsloten kan worden met behulp van uiterst gesophisticeerde en kostbare apparatuur, die doorgaans ook van enorme omvang is: hoe kleiner de deeltjes hoe zwaarder en kostbaarder de apparatuur om ze direct of indirect waar te nemen en te omschrijven. Denk maar aan de deeltjesversneller van CERN.
Om maar eens met een stevige inswinger te komen, wil ik poneren dat de hier boven geschetste uitspraak van G’t H dus minstens een beetje misleidend is. Zeker waar hij nog eens herhaalt te geloven dat “inderdaad de natuurwetten in het algemeen eigenlijk allesbepalend zijn”. Dat hangt er maar van af op welk nivo tussen submicrocosmos en supramacrocosmos je je denken richt. Levensverrichtingen in brede zin zijn in elk geval zeker niet bepaald door de physische natuurwetten, alhoewel ze ten diepste wel een materiele grondslag hebben. Die veronderstelling resp. bewering van Gerard is een simplificatie hoe ingewikkeld die ook is. Natuurlijk is het zo dat in de diepste grond voor alle materie dus ook van de levende materie de physische wetmatigheden gelden, inclusief die van oorzaak en gevolg. De werkelijkheid van het leven is immers in laatste instantie  opgebouwd uit moleculen en atomen en wat daar achter ligt. Maar daar zit geen specificiteit  noch individualiteit in, en die beide aspecten zijn  nu juist kenmerkend voor het leven.  De atomen, en subatomaire deeltjes in de hersenen van Gerard zijn met zijn welnemen exact hetzelfde als in die van mij. Daarin ligt zowel enige troost, als het eigenlijke probleem en daarop geeft Gerard met zijn deterministische visie op de werkelijkheid geen antwoord op. De specifieke eigenaardigheden van het leven, die het leven interessant maken, bijv. intelligentie, zelfbewustzijn, en tal van levensverrichtingen kennen duidelijk eigen regels en wetmatigheden: op het nivo van de biologie, de ethologie en oecologie, de psychologie.  Je zou een vergelijking kunnen maken met een huis. Een huis is opgetrokken uit beton en bakstenen met een hoop buizen en draden, en een hele rim-ram van schroefjes tot deurklinken en dakpannen, allemaal keurig volgens een bestek en met uitgekiende technieken geconstrueerd, en geassembleerd, in een strakke gedetermineerde (nee, niet deterministische) ordening. Maar het huis is daarmee nog geen thuis met de kenmerkende menselijke warme, en liefdevolle huiselijkheid. Te zeggen dat de bakstenen bepalen wat er aan huiselijkheid gebeurt, is onzinnig.  Maar toch vormen die wel een materieel fundament dat het gezinsleven draagt, met een grotendeels statische ordening, waarop zich het leven afspeelt, in al zijn flexibiliteit, en speelsheid. Hoe belangrijk de ordening is, blijkt als er een aardbeving plaats vindt, en de zaak in elkaar stort, zoals betreurenswaardig genoeg nu weer nu in Turkije.  Dan is het leven ontregeld en ontredderd, maar niet verslagen en zeker niet liefdeloos.  


Een tweede metafoor in een poging om dit belangrijke punt duidelijker te maken: een van de belangrijke natuurkrachten is de zwaartekracht, ontdekt en geformaliseerd door Newton, wellicht de grootste natuurkundige ooit, en waarschijnlijk ontleed, doorschouwd en verrijkt door Gerard. Dank zij de zwaartekracht zijn wij aan het oppervlak verbonden met de aarde, in een physische verhouding die wel liefdeloos is, en beschreven is (nee, niet bepaald) door de wet van de zwaartkracht (zie Wikipedia http://nl.wikipedia.org/wiki/Zwaartekracht#Formule). We vallen niet van de aarde dank zij de  aantrekkingskracht van de aarde als geheel. Dezelfde zwaartekracht is, met dezelfde berekenbare wetmatigheid, bepalend voor de ordening en beweging van de planeten in banen rondom de zon, en die zijn uitgaande van de status quo verbijsterend precies voorspelbaar in tijd en plaats. Dat geldt echter niet voor ons mensen. Wij bepalen zelf waar we lopen, waar we heen gaan, wat we gaan doen. De specificiteit van ons denken, voelen en handelen heeft niets met de natuurwetten van doen. De natuurwetten hebben iets van de ezel in een tredmolen. Ik wil en kan het hier niet hebben over de wetmatigheden op het nivo van de thermodynamica en quantummechanica, en wat daar nog weer achter ligt. Daarvoor moeten we luisteren naar eminente specialisten als Gerard ‘t Hooft. Op dat nivo schijnen heel andere regels te gelden, en worden de eigenschappen van de materie veeleer beheerst door toeval en lijkt van enige individualiteit, specificiteit en intenti­onaliteit helemaal geen sprake te zijn. Gerard haalt heel illustratief de kunstenaar aan die in zijn kunstzinnige uitingen een strict eigen interpretatie geeft van de werkelijkheid met een hoge mate van vrijheid ten aanzien van het werkstuk. Essentieel anders dan wat de levenloze natuur vermag. Die ligt in zijn mogelijkheden rigide vast. Alleen op grond van die rigiditeit, namelijk het vermogen uit te kristalliseren, is het Watson en Crick gelukt om door middel van Röntgendiffractie het DNA te analyseren en de opbouw in moleculaire eenheden te achterhalen. We vergeten wel eens dat het DNA in een levende cel een heel andere en dynamische organisatie moet kennen dan die kristallijne analyseerbare vorm. Op dat nivo heeft het ook geen zin meer om over het DNA op zich te praten, omdat het dan deel uitmaakt van een in hoge mate specifiek en subtiel regulerend interactiesysteem van moleculen en macromoleculen (eiwitten en RNA) structuren (membranen en organellen) en functies (bijv. enzymatische reactieketens), waarin en waarbij "recognition" een essentiele eigenschap is; heel anders en veel ingewikkelder dan in een reageerbuis bij een of andere DNA-test. De vraag hoe een dergelijke organisatie, die zo op het eerste aanvoelen chaotisch overkomt, kan leiden tot de hoge mate van specificiteit, adaptiviteit en intentionaliteit die kenmerkend zijn voor het leven, is een groot raadsel, dat zowel bewondering als verwondering oproept.  Niet voor niets dat  er mensen zijn, ook (pseudo)wetenschappers die geloven dat de mens en de hele schepping het gevolg zijn van intelligent design, en uitgedacht is en geconstrueerd is door een denkende almacht. Dit is echter geen wetenschappelijke verklaring omdat hij niet benaderbaar is.  De vraag hoe het specifieke dan wel tot stand komt is machtig interessant, en wetenschappelijk zeker benaderbaar met onderzoek. Het lijkt wel zo te zijn dat "chaos", met slechts de meest fundamentele en aspecifieke  kenmerken, met interacties waarbij het toeval en onbepaaldheid de hoofdrol spelen, ten diepste aan de wortel ligt van de materie en alles wat er uit ontstaan is. Het onderwerp heeft enige analogie met het ontstaan, de ontwikkeling van  specifieke bouwplanpatronen uit een simpel bolletje met ogenschijnlijk weinig organisatorische complexiteit, een eitje. Onderzoek naar de oorsprong en het ontstaan van het heelal, waarbij deze condities lijken te gelden, begint me dit overdenkende nog interessanter te worden.  Het is verheugend dat de astronoom en natuurkundige Steven Hawkins internationaal zo bewonderd wordt en zoveel belangstelling geniet juist ook van studenten uit allerlei vakgebieden. De fascinatie die van de man uitgaat is enorm en griezelig tegelijk. Hij verbindt in zijn grote denkraam het subatomaire nivo met het stellaire en galactische nivo, op zoek naar een theorie van alles, die misschien helemaal niet bestaat. Misschien is het zelfs zo dat chaos en toevalligheid en het ontbreken van enige andere wetmatigheid de diepste grondslag vormen van ons bestaan  en de kern vormen van een dergelijke theorie. Voor wetenschappers als Gerard is er een taak weggelegd om deze inzichten bij het publiek te brengen. 


Waar het minstens duidelijk is dat op het nivo van de submicrocosmos, waar G'tH zijn inspanningen op richt, de materie onderhevig lijkt aan heel eigen physische wetmatigheden, op hogere nivo's, in de direct waarneembare materiële wereld om ons heen, zijn wel degelijk de ons vertrouwde physich-chemische mechanismen en krachten werkzaam, zeg maar volgens de natuurwetten. We weten bijvoorbeeld allemaal  dat processen van groei en morphogenese  niet willekeurig zijn. Simpelweg gezegd, een kind lijkt op zijn ouders. Dus er zijn mechanismen werkzaam die patroonvorming en groei beheersen zelfs tot in de kleinste details. Het zal velen verbazen te horen, dat deze processen vaak zeer geordend verlopen, en zelfs zo dat het uiteindelijke organisatiepatroon beschreven kan worden met eenvoudige wiskundige formules. De gulden snede is een bekend voorbeeld (zie Wikipedia). Uit mijn eigen vakgebied kan ik als voorbeeld aanhalen dat het aantal aan de buitenkant waarneembare celgrenzen van een 32-cellig slakkenembryo precies hetzelfde is als het aantal naden bij een leren voetbal en gerangschikt zijn in een vast aantal 5- en 6-hoeken. Merkwaardig nietwaar? Zou je 32 zeepbellen op elkaar kunnen plaatsen, dan kreeg je precies hetzelfde patroon. Veel meer van dit soort relaties waar physisch/chemische  eigenschappen en mechanismen, zoals oppervlaktespanning  aan het werk zijn, vindt je in het boek Wiskundeboek, Clifford A. Pickover, 2010.
Het is dus  zo dat Gerard 't Hooft ten dele zeker gelijk heeft met zijn uitspraak, maar zeer zeker waar het de levende materie betreft niet in absolute zin.